OPINIESTUK
Gilbert van Rens, CEO van MAES Energy & Mobility

Afgelopen mei registreerde België zijn 500.000ste volledig elektrische wagen. Dat is een mijlpaal, maar ook het bewijs van een snelle evolutie: in enkele jaren tijd heeft ons land de elektrificatie van zijn wagenpark versneld en een van de dichtste laadnetwerken van Europa uitgebouwd.
Dat succes mag een groeiend probleem niet wegmoffelen, met name dat het mobiliteitsbeleid sneller evolueert dan de infrastructuur die het moet ondersteunen. Een fiscale regel aanpassen kan in enkele maanden; het net versterken of een vloot vernieuwen vergt veel meer tijd. Het risico is dat ondernemingen investeringen moeten uitstellen of voertuigen langer inzetten dan gepland.
Sinds 1 januari 2026 bevoordeelt de fiscaliteit voor bedrijfswagens uitsluitend emissievrije voertuigen: wie fiscaal voordeel wil behouden, moet elektrificeren. Maar fiscaliteit is een uniform instrument, terwijl de operationele realiteit dat veel minder is, zeker voor kmo’s, die minder ruimte hebben om een dure netaansluiting te dragen of voertuigen tijdelijk uit roulatie te nemen.
Het draait niet langer alleen om het aantal laadpunten
Voor een bedrijfsvloot is de nabijheid van publieke laadpunten niet noodzakelijk doorslaggevend. Een onderneming die vijftien, dertig of vijftig voertuigen tegelijk moet opladen, kijkt vooral naar het beschikbare vermogen, de kostprijs en doorlooptijd van een netaansluiting, en de tijd dat voertuigen kunnen stilstaan. Het volstaat dus niet meer om laadpunten te tellen. We moeten ook kijken waar ze staan, welk vermogen ze leveren en welke toepassingen ze mogelijk maken. Een publiek laadpunt voor een doorreizende automobilist dient een ander doel dan een depot waar elke nacht een volledige vloot moet opladen.
Niet elke vloot kan hetzelfde tempo volgen
Een bedrijfswagen voor woon-werkverkeer, een interventievoertuig dat dagelijks honderden kilometers aflegt en een vrachtwagen in internationaal transport kennen niet dezelfde beperkingen. Voor sommige vloten is elektrificatie vandaag al de logische keuze; voor andere vereist ze nog netaanpassingen of een andere werkorganisatie, en blijven de alternatieven voorlopig beperkter.
Exact hetzelfde tijdschema opleggen aan al die situaties verwart het doel met het middel. De juiste vraag is eenvoudig: hoeveel CO2 kunnen we daadwerkelijk vermijden, en binnen welke termijn? Soms levert de onmiddellijke vervanging van een verbrandingsmotor door een elektrisch model de grootste winst op; soms vermindert een vloot tijdelijk langer inzetten op koolstofarmere brandstoffen de uitstoot sneller dan jarenlang wachten op een nieuwe netaansluiting. Geen afwijzing van elektrificatie dus, maar de erkenning dat decarbonisatie via verschillende wegen kan verlopen.
Weg uit het valse debat tussen elektrisch en verbrandingsmotor
Het Belgische mobiliteitsdebat zou winnen bij het loslaten van de tegenstelling tussen voor- en tegenstanders van elektrisch rijden. Voor een groot deel van het wagenpark is de richting duidelijk: die wordt elektrisch. Maar niet elk segment kan hetzelfde tempo volgen. De echte vraag is hoe we die transitie faseren, rekening houdend met de netcapaciteit, de diversiteit aan toepassingen en de investeringsmogelijkheden van ondernemingen, nu ook Europa meer flexibiliteit inbouwt voor de periode na 2035.
België kan zich door die logica laten inspireren zonder de elektrificatie af te remmen: niet de klimaatdoelstellingen afzwakken, maar de middelen ernaartoe beter afstemmen. Een te rigide beleid kan op papier coherent lijken, maar op het terrein net minder gunstig uitpakken voor het klimaat.
Van een technologiebeleid naar een beleid gericht op emissiereductie
Drie principes kunnen deze transitie robuuster maken. Fiscale stimulansen moeten beter aansluiten bij de infrastructuurrealiteit: niet alleen het aantal laadpunten telt, maar ook het beschikbare vermogen en de doorlooptijden voor netaansluitingen. Er moet meer rekening worden gehouden met de diversiteit van het gebruik: één bestemming, met ruimte voor verschillende trajecten per sector. En oplossingen moeten sterker worden beoordeeld op hun vermogen om uitstoot te verminderen: alternatieve brandstoffen kunnen tijdelijk een rol spelen bij moeilijk te elektrificeren toepassingen. Geen excuus om te talmen, maar evenmin principieel uit te sluiten. De elektrificatie van de Belgische mobiliteit is volop aan de gang, en dat is een noodzakelijke evolutie. De uitdaging is ervoor te zorgen dat fiscaliteit, elektriciteitsnet, investeringscycli en beschikbare technologieën hand in hand evolueren. Een geslaagde transitie wordt niet gemeten aan het aantal ingeschreven elektrische voertuigen, maar aan de uitstoot die daadwerkelijk wordt vermeden.







